dinsdag 14 februari 2017

plankendrager


’t ging goed met de stad, haar bevolking nam toe
en binnen de muren klonk daag’lijks rumoer
een handelshuis, klaar om het geld mee te maken,
een hoerenkot, waar men ’t weer kwijt kon geraken
de roemers, de kroezen, het rood op de wang,
het oppervlak vol van onduid’lijk belang

hij keerde zich af van de stad
wat planken van hout in een touw op de rug,
wat leeftocht, een kruik voor de dorst

en hier was het stil, in de nevel ontwaarde hij net de rivier
de oever, de overzij lonkte
’t leek anders, maar hoe zag hij niet, niet van hier

hij legde zijn planken als brug op de stroom
hij bond ze vervolgens weer vast op de rug
hij wist; als hij verder zou kijken dan wat hij kon zien,
hij ooit op een dag in de toekomst misschien
zijn schreden weer vinden zou, t’rug

van planken zou hij dan een hoogte oprichten
en spreken zou hij tot de rode gezichten
vertellen zou hij van de rust in de lucht,
de schoonheid van ’t zwijgen, ’t geluid van een zucht

© ton de gruijter

(ingegeven door de hoes van het eerste album van the gloaming)

2 opmerkingen:

  1. De dromer, de zwerver, kortom de zoeker.
    Ik geniet van je woorden.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. dank, en je weet; het gaat om het zoeken, niet om het vinden.

      Verwijderen