dinsdag 2 mei 2017

de schuchtere minstreel


het klonk uit de toren, ’t geopende raam,
de zang van de minstreel, de klank van de luit
’t was waarlijk een lieflijk, betov’rend geluid
ballades zong hij, van een vrouw zonder naam

’t verlangen gaf reikwijdte aan zijn gezang
en twee torens verder kon zij hem verstaan
en niets hield haar tegen, naar hem zou zij gaan
niet eerder ervoer zij een zo vreemde drang

‘wilt u mij niet minnen en strelen?’ vroeg zij
‘ik zal dan de trillingen zijn voor uw snaar,
de zalf voor uw stemband,
de noot op uw blad
’t geluid in uw mond
en de greep voor uw hand.
bespeel mij zoals u nog nooit heeft gespeeld’

zo had zij haar passie gedeeld


hij zweeg eerst en zweeg tot hij sprak

bescheiden zei hij ‘ik speel altijd alleen
als ik u aanschouw verlies ik mijn stem’

‘laat mij dan ’t geluid zijn’ verlokte zij hem
zij kuste zijn wang en zijn weerstand verdween

nu trilt zij zijn snaar, zij ’s de greep voor zijn hand
en mooier gezang dan van haar klonk er nooit
wanneer hij de toonladder met haar voltooit,
de klankkast laat gloeien, zo warm als van brand

© ton de gruijter 

4 opmerkingen:

  1. Ook een manier om succes te hebben bij de vrouwen :-).

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. maar pas op, c'est le ton qui fait la musique ;-)

      Verwijderen
  2. En de vrouw verleidt.....en wat is jouw taal mooi.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. de taal is het punt niet, die is er al, de schrijver hoeft slechts uit te zoeken. maar......die vrouwen, tja.

      Verwijderen