woensdag 27 december 2017

de eenzame heer


de heer van de stad was ’t alleen zijn te moe
hij vroeg om een kruik van de donkerste wijn
en zei ‘stuur vanavond mijn trouwst paladijn,
gereed voor een queeste, ver weg, naar mij toe’

zijn trouwst paladijn kreeg d’ opdracht te gaan
naar streken, ver weg van hier,
waar volken nog lachten van liefd’ en plezier,
want daar zou een vrouw zijn die naast hem kon staan

‘en laat haar nog rein zijn met licht in het oog,
de huid ongetint door de zon,
haar lendenen lenig, haar leest rank en slank,
haar ziel onbevlekt daar zij nooit één bedroog

ach, laat haar de tempering zijn van mijn grief
en zeg haar uit mijn naam, ik heb u zo lief’

zijn trouwst paladijn koos ‘de wijdere blik’,
het schip dat al vaker door d’ wateren voer
slechts tien man voor ’t want en slechts één voor het roer
en wind in het zeil van de dappere brik

en ver over zee in een onbekend land
viel ’t oog op de vrouw die men zocht
behoedzaam en zacht nam hij haar bij de hand
hij zei haar: ‘o vrouwe, uit naam van mijn heer,
ik zeg u, ik heb u zo lief’
hij zag dat zij tegen haar tranennat vocht
want vroom was zij, g’lovig, nu dankte z’ haar god,
want nooit was zij voortaan alleen
zo speelde de speling van ’t lot
‘de wijdere blik’ voer toen zonder hen heen

de heer op de ka zag het schip, en hij zag
slechts tien man voor ’t want en slechts één voor het roer
en niemand vertelde hij wat hij ervoer
vanaf wat bekend werd als ‘somberste dag’

hij vroeg om een kruik van de donkerste wijn
en dronk om het beeld van zijn trouwst paladijn
te kunnen verdrinken, maar zwaar bleef zijn grief

zo dronk hij alleen, zonder lust, zonder lief

© ton de gruijter 

4 opmerkingen: