dinsdag 27 maart 2018

liefde en lucht


bij ’t wieden van ’t veld en bij ’t weiden van ’t vee
was iedereen nuttig, zo was ’t niet zo zwaar
was iedereen nuttig, behoudens de twee
die aandacht slechts kenden voor niets dan elkaar

de voorman kon sakk’ren en zei met een zucht;
‘die twee zijn onnozel, ’t is ledigheid troef
zij menen te leven van liefde en lucht,
van luiheid eet niemand. ’t is werkelijk droef’

maar zij zag de schoonheid in zijn fris gelaat
en hij won haar lippen, als kersen zo rood
en beiden begrepen; ‘als zoiets bestaat
dan minnen w’ elkaar tot een liefd’volle dood’

’t geschiedde zoals was voorvoeld

zij minden en kwijnden,
hun zielen aaneen
zij nuttigden liefde en lucht
zo lang als het ging,
zo lang tot hun adem verdween

hij had nog iets schoons in zijn ooit fris gelaat
haar lippen nu waren als aardbeien rood
(als ’t leven het lichaam verlaat,
verzwindt ook de fleur,
als een prooi van de dood)

bij ’t graven van ’t graf
was iedereen nuttig, zo was ’t niet zo zwaar
(in tijden van droefenis hielp men elkaar)

zie!

na ’t gooien van aarde, het sombere werk
brak eensklaps de zon door het laaghangend zwerk
een koppeltje duiven bleef hangen in ’t licht
of ’t uitspansel aangaf, een hemels bericht;
‘blijf noest en blijf nijver, maar wees niet beducht
voor ’t wonder van liefde en lucht’

© ton de gruijter 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten