maandag 5 februari 2018

het huis van kraam


hier staat het huis van kraam,
waar borelingen wenen
zodra de warmte is verdwenen
en wachten op hun naam

en daarnaast staat het schikstershuis
waar bloed, belang en geestkracht wordt gewogen
hier telt slechts lot, geen mededogen,
hier krijgt de kleine mens het kruis

zo wordt gemeten en getwijnd
gegund wordt elk het argeloze
maar voor hen allen is gekozen
hoe lang het leidt tot aan het eind

© ton de gruijter 

dinsdag 30 januari 2018

kruizenveld


en zij,
de vrouw van ’t kruizenveld,
zij had inmiddels alles al gezien
zij was de oudste van de stad misschien
zo werd tenminste over haar verteld

    en oud, dat was ze
    passanten meden haar
    uit angst haar stem te horen zeggen
    wat zij toch al wisten
    - oh, ijd’le hoop dat allen zich vergisten –

want steevast zei zij
‘ach, doe geen moeite, sterveling,
u weet dat waar uw tijd verstrijkt
u steeds meer op elkander lijkt
met spieren zonder kracht
met botten zonder macht nog recht te staan

u weet het, maar alleen niet hoe;
iets zuigt ons naar zich toe

u weet het, maar alleen niet hoe
wat helpt u macht of praal of geld
bij ’t vullen van ’t kruizenveld?
nee, denk en bid en vul de leegte die u vreest
wat meer zijn wij dan zaaisel van de volle geest?
u weet het, maar alleen niet hoe;
iets zuigt ons naar zich toe’

© ton de gruijter 

woensdag 17 januari 2018

de kundige


na ’t eggen van ’t land
na ’t weiden van ’t vee,
vermaakten zij zich met slechts luisteren

de adem van wind en van vogels de zang,
het kortte de avond, zo was men tevree
in ’t geluid en de geur van het dal

de vrede ging echter alras weer teloor,
de ledigheid voelde als kussen voor lucifer’s oor
en zo werden bomen gekapt
werden dieren geslacht
en toortsen ontstoken, uit vrees voor de nacht
zij bouwden de huizen voor ’t weven van stof,
voor ’t bakken van steen, een gebedshuis, godlof!

en na ’t noeste arbeiden sloot men de deur

een enkeling miste de geur,
van het dal,
de adem van wind en van vogels de zang,
de rust bovenal

hij schilderde doeken met hoe het hem leek
dat men vroeger de avond bekeek
hij maakte muziek met de klank van de rust
die de brand in het brein zachtjes blust

en zo kwam men ’s avonds bijeen

men keek naar zijn doeken
en hoorde zijn lied
men bleef hem bezoeken
en zei met verdriet;

‘hoe kundig is deze die ’t oog en het oor
laat beleven wat men hier verloor’

zo prees men het dal,
de adem van wind en van vogels de zang,
de rust bovenal

het was zoals ’t hier nooit meer was

© ton de gruijter 

woensdag 27 december 2017

de eenzame heer


de heer van de stad was ’t alleen zijn te moe
hij vroeg om een kruik van de donkerste wijn
en zei ‘stuur vanavond mijn trouwst paladijn,
gereed voor een queeste, ver weg, naar mij toe’

zijn trouwst paladijn kreeg d’ opdracht te gaan
naar streken, ver weg van hier,
waar volken nog lachten van liefd’ en plezier,
want daar zou een vrouw zijn die naast hem kon staan

‘en laat haar nog rein zijn met licht in het oog,
de huid ongetint door de zon,
haar lendenen lenig, haar leest rank en slank,
haar ziel onbevlekt daar zij nooit één bedroog

ach, laat haar de tempering zijn van mijn grief
en zeg haar uit mijn naam, ik heb u zo lief’

zijn trouwst paladijn koos ‘de wijdere blik’,
het schip dat al vaker door d’ wateren voer
slechts tien man voor ’t want en slechts één voor het roer
en wind in het zeil van de dappere brik

en ver over zee in een onbekend land
viel ’t oog op de vrouw die men zocht
behoedzaam en zacht nam hij haar bij de hand
hij zei haar: ‘o vrouwe, uit naam van mijn heer,
ik zeg u, ik heb u zo lief’
hij zag dat zij tegen haar tranennat vocht
want vroom was zij, g’lovig, nu dankte z’ haar god,
want nooit was zij voortaan alleen
zo speelde de speling van ’t lot
‘de wijdere blik’ voer toen zonder hen heen

de heer op de ka zag het schip, en hij zag
slechts tien man voor ’t want en slechts één voor het roer
en niemand vertelde hij wat hij ervoer
vanaf wat bekend werd als ‘somberste dag’

hij vroeg om een kruik van de donkerste wijn
en dronk om het beeld van zijn trouwst paladijn
te kunnen verdrinken, maar zwaar bleef zijn grief

zo dronk hij alleen, zonder lust, zonder lief

© ton de gruijter 

vrijdag 8 december 2017

gronden van klei


gewoontegetrouw was de raad lang bijeen
(als jaarlijks in donkere dagen)
zij zochten het antwoord op tientallen vragen,
slechts één kon de mooiste van allen zijn, één

en toen zij gekozen werd, werd zij gebaad
gezalfd, en ’t gezicht werd getint in pastelzachte kleuren,
bebet werd haar kapsel met bloemfrisse geuren
behangen werd zij met het fijnste gewaad

zo werden de raadsheren één maand bediend,
opdat zij met stelligheid konden verklaren
dat net als in vorige jaren
de mooiste haar lot had verdiend

            want schoonheid was wuftig, onwereldlijk, plat
            het leidde het manvolk van ’t arbeiden af
en zó was de schoonheid geen zegen maar straf
want zó kreeg de hellevorst grip op de stad
           
            het rein en de eerbaarheid diende geborgd,
            de preker verhaalde van hemel en hel,
            waar schoonheid geen nut had, waar wel
            en zij werd in ’t bijzijn van allen geworgd

en nu was de stad weer verlost en weer vrij
naar huis ging men heen voor een glas en vroeg slapen
om ’s morgens in vroegte weer krachten te rapen
voor ’t werk op de gronden van klei

© ton de gruijter 

woensdag 29 november 2017

heilwater


na zes jaar van zaaien en oogsten en vlijt
vergunden zij zich nu wat tijd voor de ziel
er was immers ruimte voor rust en respijt
omdat er niet veel te veranderen viel

en vier jongemannen, met longen vol lucht
(‘de heilzoekers’ noemde men hen vol ontzag)
verlieten de stad in het spoor van ’t gerucht
dat zin zich ontvouwt op een wondere dag

en één ging te voet naar het westelijk plat,
een ander vertrok naar het oostelijk woud
een derde naar noord, naar het drasland en wad,
de laatste naar zuid, naar de zeeën vol zout

de laatste kwam eerst en hij sprak van de kust
waar ’t water begon en het einde weer vond,
van smaak van het zout en van winden vol rust
‘een heling voor zielen, door zonden gewond’

men noemde hem ‘eerste’, nam wagen en paard
en elk droeg een emmer, een aker of ton
zijn woord werd -in schoonschrift geschreven- bewaard
zij vulden ootmoedig hun heilwaterbron

© ton de gruijter 

maandag 20 november 2017

'de lichtekooi'


in ’t logement ‘de lichtekooi’
vermaakten zich oorspronkelijk passanten
steeds vaker echter kwamen vaste klanten,
’t was manvolk van divers allooi

men sprak alras besmuikt
van los gerinkelrooi
en doelde op de nieuwe deerne
die drank uitschonk in deez’ taveerne,
want zij was onbeschrijf’lijk mooi
ja, zij was onbeschaamd frivool

zij zou ’n gevallen engel kunnen zijn
zoals zij danste met de kroezen wijn
in wijde rok en kanten kamizool

men schreef haar steeds meer streken toe

zo zou zij voor wat zilverlingen
bereid zijn om de duizend dingen
die zij wel kennen moest
van hemel, vagevuur en hel
(zoals het koortsend bloed en stomend vel)
te delen bij een ritsig rendez-vous

en zo moet het ontsprongen zijn

de porseleinen dames, samen met de houten heren
(de hoeders van venijn),
beschonken haar vooraf met pek,
daarna wat veren

het logement ‘de lichtekooi’
verloor de vaste klanten
en zelfs bij de passanten
viel het gestaag aan achterklap ten prooi

© ton de gruijter