maandag 10 september 2018

eerstelings end


als eersteling schonk hij een deel van de oogst,
zijn lam werd voor minder bedeelden geslacht
vijf muntstukken gaf hij de monnik, die ’t goede voorzag

zijn draad was nu vrijwel tot ’t einde getwijnd

zijn dochter verkoos nu een jongeling ’s hand,
zijn zoon werd betaald door een zeeman
die kort’lings het water op ging,
weg van ’t land
en nu zag hij bloemen ontspruiten op ’t graf van zijn lief
en dansende vlinders,
het teken van hoop

zijn tred was nu vrijwel aan ’t eind van zijn loop

als eersteling zocht hij ’t beboste gebied
voor het end van zijn tijden
alsmede een god,
om ten leste zijn ziel uit te snijden

© ton de gruijter 

maandag 3 september 2018

victories' roes


en toen de winnaars van de krijg
haast zingend kwamen t’rug gereden,
de overwonnenen gekneveld,
ontsproot victories’ roes,
zo raakte men beneveld

men richtte bogen van triomf,
en beelden voor de held,
die hun militie had geleid,
de held, die ’n vijand had geknecht,
die hen het eind gaf van de strijd

en zij, die hen ooit tegenstreefden
zij werden dienaars van de stad
zodat de stedeling
veel minder dan voorheen
nog arbeid had

zo ging victories’ roes
zo kwam ’t dat bijna niemand merkte
hoe verslavend vrijheid werkte

© ton de gruijter 

maandag 27 augustus 2018

de vliegende leugen


de duif, die de brief
naar zijn ouders,
zijn lief,
in de stad waar hij woonde, toe vloog
wist niet  dat de schrijver in ’t schrijven steeds loog

hij schreef hen geen zorgen te hebben
- ’t ging goed’ –
hij zweeg over ’t strijden, de wonden, het bloed,
de dagmars, de moeheid, de angst in de nacht
hij zweeg over d’ heimwee die ’t denken hem bracht

hij schreef over trots,
het dienen van stad en van vlag
en dat hij hen miste,
hun kus en hun lach

de liefde was zwaarder dan dat hij bedroog,
zo dacht hij, wanneer hij zijn woorden weer losliet,
op weg naar omhoog

© ton de gruijter 

zaterdag 18 augustus 2018

het storen van vreugd


’t ging goed met de stad, en de welvaart nam toe
men was niet als vroeger van ’t arbeiden moe,
want meer dan voorheen werd techniek ingezet
en meer dan voorheen ook genoot men verlet

de tijd werd gevuld met onschuldig vermaak
en alles was mooier dan mooi
(zo hoorde men vaak)
en iedereen werd door de ander geroemd,
werd knap en geweldig genoemd

’t werd vluchtig,

kritiek raakte uit
en langzaam ontstond het eentonig geluid
van redeloos volk,
almaar klakkeloos blij
slechts één,
die ’t bijzondere in het gewone niet zag
viel op, daar hij geen onbenullige lach
als reactie op anderen gaf

men dacht dat zijn inborst, geplaagd door venijn,
een dreiging zou zijn voor ’t vertier
een dreiging zou zijn voor het evenwicht hier
door vrees werd de vreugde verstoord
voor eenlingen had men hier beter geen plek,
niet binnen hun muren en poort

zo ging hij zijns weegs,
met flauw rond de mond een wat minzame lach
omdat hij die dag het bijzondere in het gewone pas zag


© ton de gruijter 

maandag 6 augustus 2018

zang van dier en rust van groen


de eersten waren jagers,
trekkers door het land,
de ruiger mensen
die met wapens in de hand
steeds meer dan eigen leeftocht,
pels en been vergaarden

zelfs zíj verhaalden over schoonheid,
overrompelend,
met zang van dier en rust van groen
juist daar was het de kolonisten om te doen

en na het slaan van het piket,
het richten van de palissade
werd het dakwerk ondersteund
en werden torens opgetrokken

de bodem verdween onder grijs plaveisel
en diep, diep boorde men haar,
voor het stutten van een zwaarder huis,
een kroeg, ’t bordeel, een kerk met kruis,
een sterkte voor de schout,
een celblok voor ’t gespuis

en steeds meer volk kwam aangereden

want elkeen wenste zo een thuis
en elkeen wenste ’n deel van schoonheid,
overrompelend,
met zang van dier en rust van groen

bij ied’re groep bewoners, nijver en verwachtingsvol,
zocht ijverig de spa de grond
want groei, zo wist men hier,
was voor de stad gezond

© ton de gruijter

dinsdag 17 juli 2018

ritseldroog


’t was droog, ’t was ritseldroog
en pulver dekte huid en haar,
de stad werd heet en grijs
de zon,
meedogenloos vanaf het uur
dat zij haar brand begon,
doorschroeide ieders kleed
en ieders lijf was zout van ’t zweet

zo  viel het leven stil

de bomen lieten blad
voortijdig los,
’t gewas neeg neer,
geen steel bezat nog vocht
en nergens was een waterman die ’n watervat verkocht

’t was droog, ’t was ritseldroog
totdat het volk de hoofden boog

het leek alsof de wind weer sprak,
en toen uiteindelijk het wolkdek brak
vergat men ooit in nood te zijn geweest,
de stromen stroomden vol,
de schuren stonden bol
van oogst en teelt
het vee was nimmer zoals nu gevleesd
en niemand die het hoofd nog boog,
het was niet meer zo droog, zo ritseldroog

© ton de gruijter 

dinsdag 10 juli 2018

de godhouwer


de preker ving de riten in zijn mis,
maar om zijn heer nog meer te eren
liet hij een marmersteen stileren
op zoek naar god, een beeltenis

de houwer hieuw zijn armen moe,
bedekt met stof van marmersteen
pas ’s avonds laat ging hij weer heen
en ’s morgens vroeg weer naar zijn opgaaf toe

hij bad de heer hem te verschijnen,
zodat hij wist van vorm en lijnen

zo dreven jaren langs, de tijd vervloog
de preker werd een oude man,
ootmoedig onder ’t hemelhoog
en hoor!
het leek of er een wolk bewoog,
een stem weerklonk;
‘gij zult niet doen wat u niet kan’

de houwer hield zijn armen stil
het hoofd van marmersteen was onvoorziens verdwenen
hij wist;
‘dit is de dag waarop de heer mij is verschenen,
ik staak mijn werk, dat is zijn wil’

© ton de gruijter