dinsdag 12 januari 2021

corona, het tellen der dagen

de discussie over voorrang op basis van leeftijd op de ic, de discussie over voorrang bij de inentingen tegen corona op basis van leeftijd laat mij deze oudere tekst uit het boek 'stadsparabelen' ineens met andere ogen lezen:


het tellen der dagen


en weer kwam een eind aan de winterse tijd,

hun zeden gewoon werden dagen geteld,

’t bericht werd op pleinen gemeld

en middels pamfletten verspreid


zo kwamen de ouden bijeen,

verzameld bij ’n mistgrijze vlag

met elk een valies,

want nu ging men scheep en de prediker bad


de walkant was vol met de jongeren, stil

en onder de indruk, als ieder jaar weer


de wende,

de wende


hun zeden gewoon zou men later

het voorjaar begroeten

met werk aan de ploeg

met de zorg voor het vee

met een kruik in de kroeg


maar eerst bleef het stil, want de prediker bad

de ouderen gingen nu scheep

hun dagen – zo was door de bodes gemeld –

waren immers gedaan en geteld


de boeg koos haar koers, ’t ongewiss’ tegemoet

een enkeling weende nog zacht

maar werd overstemd,

want de scheepshoorn klonk haast

als een kalf

zich bewust

van de slacht


© ton de gruijter

maandag 11 januari 2021

bladzij

 bladzij


al tijden lijkt het of het pad versmalt

en nergens is een weg,

die leidt naar rechts of links

mijn tred voelt na de mist opvallend licht


ik hoor geen vogels meer


ik vraag een vrouw of er een keerpunt is

zij kijkt mij vorsend aan en zegt

‘je bent te zwak’


ik voel mijn onvermogen

en in haar ogen glinstert

mededogen


hoe vreemd, dat ik mijn rust hervind


er murmelt zacht een fluisterwind


de god van hier zegt ‘ga’

de god van daar zegt ‘kom’

het ritselt even achter mij,

ik weet waarom


iets slaat mijn bladzij om


© ton de gruijter

vrijdag 16 oktober 2020

pandemia (4)

 pandemia (4)


de wolken drukken op de stad

alweer verdwijnt het licht

en langzaam gaan de luiken dicht

die men pas kort ervoor geopend had


de oude stad pandemia verstilt

want straten zwijgen,

op het plein verwaait verloren blad

de wolken drukken op de stad


maar dan!

de droge bedding van ‘de tweespalt’

stroomt weer golvend vol,

de hoofden draaien dol


het lijkt of groepen tegen groepen staan

de houders van de wetten zien het met verbazing aan

het komt tot spuwen,

slaan

de mensen lopen 

- leuzen roepend -

achter vlaggen aan


de wolken drukken op de stad

‘de tweespalt’ stroomt weer golvend vol


‘pandemia, pandemia,

men schrijft ooit nog een lied

(voor bij het vuur)

verhalend van de oude stad pandemia,

haar vol verleden en haar schraal verschiet’


© ton de gruijter 


vrijdag 25 september 2020

pandemia (3)

opnieuw ruikt men een kwade damp

de oude stad pandemia verzucht

'het is ongrijpbaar'

opnieuw ruikt men de lucht

van kruiden,

klinkt het bidden uit het godshuis op


maar plots ontwaart men nieuwe prekers,

nieuwe zieners tussen ’t volk

zij roepen op het plein

de bangen toe

‘wie vreest een wolk?’


een enkeling bespeurt venijn

wanneer de gladde tongen spreken


te laat,

men wil de regels breken


en dranklokaal na dranklokaal loopt vol

de enkeling begrijpt

‘het volk wordt dol’

en hij beweegt zich naar het zerkenveld

want veler dagen worden al geteld


© ton de gruijter

zaterdag 27 juni 2020

postzegels!


ik vond het een hele eer, toen gijsbert van den akker vroeg of hij afbeeldingen mocht gebruiken om postzegels te maken.
naast verschillende afbeeldingen uit de serie 'woordenwisseling met nieuwegein'
koos hij ook de cover van de bundel 'stadsparabelen'.
ik weet het natuurlijk niet zeker, maar mijn gevoel zegt me dat dit nu de eerste dichtbundel is met een eigen postzegel.
ik ben er opgewekt van.

informatie over gijsbert: https://www.ad.nl/utrecht/84-jaar-en-nog-altijd-in-postzegelkraam~a8c0bcb4/ (artikel uit 2009)
informatie over 'stadsparabelen': https://tondegruijter.blogspot.com/2019/04/warme-reacties-op-stadsparabelen.html
informatie over nieuwegein: https://woordenwisseling-met-nieuwegein.blogspot.com/

maandag 22 juni 2020

misrekening


zij waren hindes,
dartel en lenig in hun pas
met losse jurken
waar geen zwaartekracht voor was
en ook hun haar had eigen wetten

het was toen zomers eeuwig waren
en tijd kwam voort uit overvloed

omdat zij wijzer leken hadden wij geen moed
maar ach, de tijd kwam voort uit overvloed

wij waren honden,
speels en lomp,
trouw happend naar de ballen die we misten
ons onbeschaamd gekwispel deed vermoeden dat wij wisten;
‘ooit komt dat moment, dat zij ons zien’

en ergens hebben wij niet opgelet
want weer zijn zij de hindes,
met nieuwe zielen,
dartel en lenig in hun pas
en daar de zomer eindig was
zijn wij als oude honden,
uitgespeeld en uitgeraasd
die slaperig, verbaasd,
de bal zien komen en weer gaan

© ton de gruijter 

zaterdag 6 juni 2020

de onfatsoenlijke klerk


zij stipt de lippen aan met verf
haar mond kleurt langzaam rozerood
wat rouge op de wang
haar haar krult gul en lang
en haar gebit is blikkerwit
nog nergens toont zich al een vroeg bederf

haar rok sluit aan en toch net niet
een ruchesbloes, die haast te dansen lijkt
(op een onhoorbaar lied)
en heel haar lenig lichaam prijkt
op hoogtes waar geen ander op kan staan

zo tooit ze zich
ze tooit zich mooier nog dan ooit tevoor
ze krijgt een zinnelijk gevoel van binnen,
ze zou zo honderd harten winnen
maar ach, dat wil ze niet

tevredenheid met wat ze ziet
is al wat zij beoogt

en hij, de jonge klerk,
komt amper toe aan werk
wanneer haar geur al door de deur
nog eerder dan zijzelf de zaal opfleurt

en oh, zijn blik verraadt
dat zij hem zeer behaagt
met dat waarin zij feilloos is geslaagd

zijn fluistering
‘ze zou zo honderd harten winnen’
geeft haar een onrust, diep van binnen
onthutst verlaat zij weer de zaal, ontdaan
door wat zijn ogen aan haar doen
‘gemis', zo meent zij ‘aan fatsoen’

© ton de gruijter