maandag 20 november 2017

'de lichtekooi'


in ’t logement ‘de lichtekooi’
vermaakten zich oorspronkelijk passanten
steeds vaker echter kwamen vaste klanten,
’t was manvolk van divers allooi

men sprak alras besmuikt
van los gerinkelrooi
en doelde op de nieuwe deerne
die drank uitschonk in deez’ taveerne,
want zij was onbeschrijf’lijk mooi
ja, zij was onbeschaamd frivool

zij zou ’n gevallen engel kunnen zijn
zoals zij danste met de kroezen wijn
in wijde rok en kanten kamizool

men schreef haar steeds meer streken toe

zo zou zij voor wat zilverlingen
bereid zijn om de duizend dingen
die zij wel kennen moest
van hemel, vagevuur en hel
(zoals het koortsend bloed en stomend vel)
te delen bij een ritsig rendez-vous

en zo moet het ontsprongen zijn

de porseleinen dames, samen met de houten heren
(de hoeders van venijn),
beschonken haar vooraf met pek,
daarna wat veren

het logement ‘de lichtekooi’
verloor de vaste klanten
en zelfs bij de passanten
viel het gestaag aan achterklap ten prooi

© ton de gruijter 

december? doe eens een boek!

december komt er aan, schoenen en kerstbomen wachten op pakjes.

doe eens een boek, bijvoorbeeld:

voor de prijs hoeft u het niet te laten.
eenvoudig verkrijgbaar via uw boekhandel, via bol.com of rechtstreeks bij de uitgever ( klik hier voor de link ).

u kunt vanzelfsprekend ook met mij contact opnemen.

prettige december gewenst!

woensdag 1 november 2017

het gericht


er dromde die avond meer volk op het plein
men had kort geleden gehoord
dat iemand de orde, de wet had verstoord
en ’t vuur vond de vlam in bruin bier, rode wijn,
geen pul echter leste de dorst naar het bloed
van ’t vuige gebroed
zo vulde ’t gemoed zich met gif en venijn

en zo kwam de nacht
een eenzame ziel werd naar ’t schandblok gebracht
want dat was degeen die de rust had verstoord
de één na de ander had dat van een ander gehoord

en zo kwam de dag
en geen van hen wist hoe ’t zo kwam
en toen men een andere toedracht vernam
verdween hier op alle gezichten de kunst van de lach

© ton de gruijter 

zondag 22 oktober 2017

thanatica


al maanden was de hemel zwaar,
er vloog geen vogel in de lucht
geen wolk bewoog, geen wind, geen zucht,
alleen de murmelingen van gevaar,
een lied van angst, ‘thanatica’

een bode op een dampend paard
verhaalde van een vreemde stad
waar men verderf en dood aanbad,
wier heerser heerste met de kling van ’t zwaard,
de vreemde stad thanatica

steeds groter werd het droef gebied
waar vlammen vraten aan het aardse goed
waar vlaggen dansten, rood als bloed
en niemand dacht ‘dat komt hier niet’
de adem van thanatica

zij zonden hun militie, broer en zoon
voor ’t ongewenst maar nodig werk
en voller was nog nooit hun kerk
want krijg was geen traditie, ongewoon
zo anders dan thanatica

na weken pas bewoog de wind
en kozen wolken weer hun pad
de burgers klommen op de muren van de stad
voor ’t eerste glimpen van hun kind
dat t’rug reed uit thanatica

en dan, de goede dag,
daar reden zij op ’t dampend paard
met butsen in hun helm en zwaard
en de gescheurde vlag
van d’ wrede stad thanatica

een moeder sprak
‘zijn vel is gaaf,
geen vijand die hem schond’
een vader zweeg
want hij zag onderhuids
de diepe wond,
gesneden door thanatica

© ton de gruijter 

donderdag 28 september 2017

halverwege


soms lijkt het of de muren spreken,
soms lijkt het of een nieuwe stad
-waar and’re plaatsen zwegen-
de stilte wil verbreken
en haast meewarig fluistert
‘het maakt niet uit hoe ver u reist,
want u bent altijd halverwege’

en zij, zij weet het
zij voelt na alle wegen die zij heeft betreden
het groeien van ’t gewicht van haar verleden
’t gezicht van hen die zij nog graag weer kussen zou
de klank, de kleur, de geur van het land
waarvan de naam er niet toe doet, u mag het noemen, het is haar land
en altijd reist het mee, geen berg, geen zee ontwortelt haar
zij weet het, zij ’s altijd onderweg en nog maar halverwege

een dag opent zij een deur
dan mag haar naam er naast geschreven
en dan zegt zij ‘vanuit dit huis kan ik weer leven’
dan zingt een straat, dan lacht een muur
maar hier danst ook het zoet met zuur
dan is zij eind’lijk thuis en toch pas halverwege

© ton de gruijter 

woensdag 13 september 2017

de vredeskrijger


die avond werd net op de grens van de nacht
en vlak voor het sluiten van bruggen en poort
door hen die toen werkten als wacht
een stem uit het duister gehoord

een vreemde, nooit eerder gezien,
vertelde te reizen, een bed was zijn vraag,
een brood in de ochtend misschien
voor ’n volgende stad was zijn voetgang te traag

zij lieten hem in, gaven vlees op een bord
en wijn in een kruik, maar zij vroegen hem toen
waarom hij met staal was omgord
als hij hen geen kwaad wilde doen

hij sprak hen van vrede, hoe kwetsbaar zij was,
van wreedheid, begaan verderop in het land,
van levens, gebroken als glas,
van steden als deze, de huizen in brand

‘zo draag ik een zwaard, lans en dolk
een schild en een helm, steeds gekleed voor de slag
zo hoed ik het vlees van mijn volk,
want niemand heeft weet van een volgende dag
uw vrede, zij faalt
wanneer zij de blikken niet scherpt
wanneer zij de spieren niet staalt
voor als er zo’n dag zwarte schaduwen werpt’

nadat hij vertrok stak de smid een woest vuur
en ieder kreeg helm, schild en zwaard
en nooit was er ooit nog een lichthartig uur
want ijzer en vree waren anders van aard


© ton de gruijter 

vrijdag 1 september 2017

bodem en grond


in deze eerste negennacht
heeft men de resten van de acht
(de uren die nog bleven duren)
hier vandaan geveegd en weggebracht
naar waar de eerd’re zeven zijn gebleven,
wachtend, want een komend jaar
zal al herleven

want zo ging het ooit, en zo zal het gaan

men weet dat na de negen ook de tien al naakt
en dat de dag steeds later uit zich zelf ontwaakt

de lucht blaast kou en hijgt gelijk een lijf vol koorts
steeds vroeger dient een toorts als helpend licht

de hemel is gezwicht
en duistert van de zwerm die oefent voor de trek

het vallend blad zoekt bodem en grond,
bodem en grond

dan maakt men vuur en wijn,
men zoekt een god

© ton de gruijter