zaterdag 18 augustus 2018

het storen van vreugd


’t ging goed met de stad, en de welvaart nam toe
men was niet als vroeger van ’t arbeiden moe,
want meer dan voorheen werd techniek ingezet
en meer dan voorheen ook genoot men verlet

de tijd werd gevuld met onschuldig vermaak
en alles was mooier dan mooi
(zo hoorde men vaak)
en iedereen werd door de ander geroemd,
werd knap en geweldig genoemd

’t werd vluchtig,

kritiek raakte uit
en langzaam ontstond het eentonig geluid
van redeloos volk,
almaar klakkeloos blij
slechts één,
die ’t bijzondere in het gewone niet zag
viel op, daar hij geen onbenullige lach
als reactie op anderen gaf

men dacht dat zijn inborst, geplaagd door venijn,
een dreiging zou zijn voor ’t vertier
een dreiging zou zijn voor het evenwicht hier
door vrees werd de vreugde verstoord
voor eenlingen had men hier beter geen plek,
niet binnen hun muren en poort

zo ging hij zijns weegs,
met flauw rond de mond een wat minzame lach
omdat hij die dag het bijzondere in het gewone pas zag


© ton de gruijter 

maandag 6 augustus 2018

zang van dier en rust van groen


de eersten waren jagers,
trekkers door het land,
de ruiger mensen
die met wapens in de hand
steeds meer dan eigen leeftocht,
pels en been vergaarden

zelfs zíj verhaalden over schoonheid,
overrompelend,
met zang van dier en rust van groen
juist daar was het de kolonisten om te doen

en na het slaan van het piket,
het richten van de palissade
werd het dakwerk ondersteund
en werden torens opgetrokken

de bodem verdween onder grijs plaveisel
en diep, diep boorde men haar,
voor het stutten van een zwaarder huis,
een kroeg, ’t bordeel, een kerk met kruis,
een sterkte voor de schout,
een celblok voor ’t gespuis

en steeds meer volk kwam aangereden

want elkeen wenste zo een thuis
en elkeen wenste ’n deel van schoonheid,
overrompelend,
met zang van dier en rust van groen

bij ied’re groep bewoners, nijver en verwachtingsvol,
zocht ijverig de spa de grond
want groei, zo wist men hier,
was voor de stad gezond

© ton de gruijter

dinsdag 17 juli 2018

ritseldroog


’t was droog, ’t was ritseldroog
en pulver dekte huid en haar,
de stad werd heet en grijs
de zon,
meedogenloos vanaf het uur
dat zij haar brand begon,
doorschroeide ieders kleed
en ieders lijf was zout van ’t zweet

zo  viel het leven stil

de bomen lieten blad
voortijdig los,
’t gewas neeg neer,
geen steel bezat nog vocht
en nergens was een waterman die ’n watervat verkocht

’t was droog, ’t was ritseldroog
totdat het volk de hoofden boog

het leek alsof de wind weer sprak,
en toen uiteindelijk het wolkdek brak
vergat men ooit in nood te zijn geweest,
de stromen stroomden vol,
de schuren stonden bol
van oogst en teelt
het vee was nimmer zoals nu gevleesd
en niemand die het hoofd nog boog,
het was niet meer zo droog, zo ritseldroog

© ton de gruijter 

dinsdag 10 juli 2018

de godhouwer


de preker ving de riten in zijn mis,
maar om zijn heer nog meer te eren
liet hij een marmersteen stileren
op zoek naar god, een beeltenis

de houwer hieuw zijn armen moe,
bedekt met stof van marmersteen
pas ’s avonds laat ging hij weer heen
en ’s morgens vroeg weer naar zijn opgaaf toe

hij bad de heer hem te verschijnen,
zodat hij wist van vorm en lijnen

zo dreven jaren langs, de tijd vervloog
de preker werd een oude man,
ootmoedig onder ’t hemelhoog
en hoor!
het leek of er een wolk bewoog,
een stem weerklonk;
‘gij zult niet doen wat u niet kan’

de houwer hield zijn armen stil
het hoofd van marmersteen was onvoorziens verdwenen
hij wist;
‘dit is de dag waarop de heer mij is verschenen,
ik staak mijn werk, dat is zijn wil’

© ton de gruijter 

vrijdag 29 juni 2018

de meisjesslijter


zo tegen ’t tweede tweelicht van de dag
trok vaak een stille stoet voorbij
aan ’t werkhuis van de meisjesslijterij,
voorzien van muntgeld en een steelse lach

er werd verteld dat hier in ’t pand
de fijnste meisjes uit de stad of ’t ommeland
bedreven waren in het spel
van riet en pirouette

en stand of rang?
het muntgeld maakte allen klanten
en elkeen huurde voor een uurtje zijn amante

de meisjesslijter hield ze fris en mals,
en lenig (zo het kon)
maar ook voor hem en hen
voorzag de tijd te klein pardon
dan zakten spier en vlees en schoten rimpels in de hals

het viel hem immer zwaar,
maar wie te stroef werd voor het spel
van riet en pirouette
werd teer door hem te bed geleid
in ’t donker van de oubliette

© ton de gruijter 

maandag 18 juni 2018

de geronselde


hij danste tot de laatste druppel,
zijn lief, wier vlees hem door haar jurk verwarmde,
beloofde hemel, hel en vagevuur
zo lang hij haar omarmde
zo sloop de roes tot in zijn hoofd
en in het laatste uur
werd hij, beneveld en verdoofd
gevonden door de ronselaar
die nú als eenling danste op het zingen van de knuppel

zo werd hij voor de honderdman te kneden vlees,
gehard, gedrild
en zonder vrees

zijn moeder bad hem ’n engel op zijn helm en schild
zijn vader bad de duivel in zijn zwaard
zijn lief bad ‘als het lot zijn lijf bewaart,
zal ik hem beide worden, desgewild’
en hoe z’ ook dronk, tot in het laatste uur
haar jurk werd nimmer meer zo warm
als hemel, hel en vagevuur

© ton de gruijter 

maandag 28 mei 2018

de droogdrinkers


’t was warm, ’t was warm,
aan ’t einde van de zomerdag
’t was of de hitte als een deken lag
en om de slaap nog niet te vatten
greep men instrumenten beet
en zong van lief, van leed

en verder kroop de temp’ratuur omhoog,
men dronk de kelen nat,
de vaten droog

en één,
(hoe zou men hem bezien,
een zonderling, een ziener
of de spreker van de zedenpreek)
hij zag dat steeds meer niet was wat het leek

hij preveld’ een gebed en dacht
bij ’t horen van het loos gesnater
‘wanneer komt hier nog eens een godenzoon
die wijn verand’ren kan in water?’

© ton de gruijter