woensdag 13 september 2017

de vredeskrijger


die avond werd net op de grens van de nacht
en vlak voor het sluiten van bruggen en poort
door hen die toen werkten als wacht
een stem uit het duister gehoord

een vreemde, nooit eerder gezien,
vertelde te reizen, een bed was zijn vraag,
een brood in de ochtend misschien
voor ’n volgende stad was zijn voetgang te traag

zij lieten hem in, gaven vlees op een bord
en wijn in een kruik, maar zij vroegen hem toen
waarom hij met staal was omgord
als hij hen geen kwaad wilde doen

hij sprak hen van vrede, hoe kwetsbaar zij was,
van wreedheid, begaan verderop in het land,
van levens, gebroken als glas,
van steden als deze, de huizen in brand

‘zo draag ik een zwaard, lans en dolk
een schild en een helm, steeds gekleed voor de slag
zo hoed ik het vlees van mijn volk,
want niemand heeft weet van een volgende dag
uw vrede, zij faalt
wanneer zij de blikken niet scherpt
wanneer zij de spieren niet staalt
voor als er zo’n dag zwarte schaduwen werpt’

nadat hij vertrok stak de smid een woest vuur
en ieder kreeg helm, schild en zwaard
en nooit was er ooit nog een lichthartig uur
want ijzer en vree waren anders van aard


© ton de gruijter 

vrijdag 1 september 2017

bodem en grond


in deze eerste negennacht
heeft men de resten van de acht
(de uren die nog bleven duren)
hier vandaan geveegd en weggebracht
naar waar de eerd’re zeven zijn gebleven,
wachtend, want een komend jaar
zal al herleven

want zo ging het ooit, en zo zal het gaan

men weet dat na de negen ook de tien al naakt
en dat de dag steeds later uit zich zelf ontwaakt

de lucht blaast kou en hijgt gelijk een lijf vol koorts
steeds vroeger dient een toorts als helpend licht

de hemel is gezwicht
en duistert van de zwerm die oefent voor de trek

het vallend blad zoekt bodem en grond,
bodem en grond

dan maakt men vuur en wijn,
men zoekt een god

© ton de gruijter 

vrijdag 11 augustus 2017

het slinken van de dag


de oude, die het eerder zag,
zag nu het zoeken van het kind
en zei: ‘steeds dunner wordt de wind,
hij brengt het slinken van de dag
en d’ eerste zwerm, die draait en draait,
bereidt zich voor op het vertrek
en schaduwt dan het wolkendek
dat steeds meer uit het noorden waait

en straks zijn alle vlinders dood,
de zaden weg, de bloemen dood
dan gaat de poort weer vroeg op slot
en daarna ben je bijna groot

maar eerst moet nog de glans van ’t blad,
de warmte moet nog uit de huid
zij zeilt straks zachtjes weg naar zuid
terwijl het kaal wordt in de stad’

de oude, die het eerder zag,
zei: ’daarna ben je bijna groot

maar eerst gaan nog de vlinders dood,
dat hoort bij ’t slinken van de dag

© ton de gruijter 

dinsdag 1 augustus 2017

waarheids woonst


het was tegenover het huis van de vorsers,
die lengte en zwaarte en duur
probeerden te vangen met apparatuur,
want daar tegenover bespraken d’ artiest en de preker
de schoonheid van gissen, onwetendheids kracht
de roes van het zoeken, verbeelding en pracht

de preker zou spreken, op iedere zevende dag
d’ artiest zou onthullen hoe hij alles zag

en zo werd een toren gesticht

met glazen in lood voor het dempen van licht
en stenen, gedrild in hun voeg
en houtwerk en fresco’s, geweven tapijt
de voortgang der vorsers ten spijt
zij werkten en rustten met wijn in de kroeg
en wisten, hoewel door de vorsers gehoond,
dat waarheid het diepst de illusie bewoont

© ton de gruijter 

dinsdag 18 juli 2017

een muzikant


maar wie zag ’s avonds nog het vuil,
in vegen op ’t gezicht?
wie rook er nog het zweet?
vergeten waren moeheid, twijfels, pijn en leed
want ’s avonds voelde alles licht

een plankenvloer, een lattenbank
en ’t schoon publiek,
de wangen, borsten, handen blank,
de pullen vol van gerstenat
zo was ’t hier even licht plezier

de muzikant zong zacht, zo zacht
van méér dan kussen in de nacht,
het vloeide hier van tranen, nat,
en ’t dreef de barsheid uit de stad

zo kon men lachen om verdriet
en huilen om de vrolijkheid

het was precies zoals het was

de muzikant zong dieper dan het diepste glas
en steeds meer volk zei na een tijd
‘zo hoorde ik het eerder niet’

© ton de gruijter 

woensdag 28 juni 2017

klankenvanger


als dertiende werd hij geboren,
direct na het volle dozijn
en nooit zou hij echt bij de anderen horen,
zijn beendergestel was te fijn
te fijn voor het werk op de akker of ’t veld
(dat werd hem vol deernis verteld)
te fijn voor de ploeg, voor de zeis, voor de hak
te zwak ook voor steenhouwerij
of het werk op het dak

maar hij ving de klanken

de lach in de kreun of de kreun in de lach,
het fluisteren van de verdwijnende dag
de zucht van het zonlicht, de waai in de wind
de toon van de vogel, de jank van het kind,
hoe blijdschap of droefheid verschil maken kon,
de ritsel van regen, de vlieg aan ’t plafond

zijn buit,
het geluid,
hij vertrouwde het toe aan papier
met afstand en vlaggen vol zwier
met krullen en strepen,
door niemand begrepen

en hij werd de rijkste van allen
hoewel hij geen geld en geen veld had of stallen vol vee
bezat hij ’t vermogen
verwonderd te raken
door klanken van land, lucht en zee

© ton de gruijter 

maandag 5 juni 2017

de regelaar


haast alle woorden (meer dan honderd) die zij kenden
klonken daags na ’t werk
een aantal slechts had nut voor kroeg en kerk,
maar veel bleef hangen,
drift, verlangen, afgunst,
’t gaf rumoer

de houders van de wet namen het besluit
zij nodigden de reizend regelaar in ’t voorjaar uit
want men vernam dat hij al eerder zulks bezwoer

het was een goede dag,
men kon de woorden laten horen in de hooggezuilde hal

de regelaar, gekleed in zwart
zei hen slechts ‘spreek van ’t hoofd en hart’
en verder zweeg hij streng
van alle woorden (meer dan honderd) die zij kenden
woog hij het gewicht
hij knikte zacht en zei ‘ik zeg u wie u bent,
ik schrijf u neer op perkament in onbetwistbaar schrift
en na de stempel in nog warme lak
is wat u heeft aan recht in het archief gegrift’

en rust bezocht de stad

men sprak hier nog een woord of tien
want als rumoer nog klinken zou
liet men elkaar de schrijfsels zien
en dankte men de regelaar

© ton de gruijter